Dan had je pech. Dikke pech. Want medicijnen waren er bijna niet. Bij gebrek aan beter schreven artsen Haarlemmerolie en petroleum voor. Dat deed uiteraard niets, behalve  je misselijk maken.

Als je ziekte actief was, was de behandeling: rust houden. De enige min of meer werkende behandeling, injecties met een goudverbinding, werd pas gegeven als je al helemaal vergroeid was.

Die goudinjecties werden per toeval ontdekt. Men dacht dat ze zouden werken tegen tuberculose, dat bleek niet zo te zijn, maar TB-patiënten die toevallig ook reuma hadden bleken wel minder last van hun reuma te hebben. Zo onverwacht kan een medicijn worden ontdekt.

De tweede wereldoorlog was, zoals vaker met oorlogen het geval, een bron van verbeteringen in het medisch handelen. Soldaten die ziek zijn kunnen niet vechten tenslotte. Dankzij de oorlog wordt haast gemaakt met het ontwikkelen van antibiotica, en met succes. Voor acuut reuma was dat een oplossing, maar ook bij ‘gewone’ reuma bleken antibiotica soms te werken.

Voor mensen met artrose wordt dankzij de antibiotica een heup of knieoperatie opeens een stuk minder riskant.

Vooruitgang gaat langzaam

Pas in 1948 komt er een beetje meer zicht op een werkzame behandeling: cortison wordt ontdekt, er wordt ontrafeld wat de stof in het lichaam doet, en het kan chemisch simpel worden nagemaakt. De ontdekker krijgt er in 1950 de Nobelprijs voor.

In dezelfde tijd wordt ook methotrexaat ontwikkeld voor de behandeling van kanker. Het duurt echter tot eind jaren ‘50 voordat diezelfde stof ook in lage doseringen bij reuma wordt ingezet, omdat patiënten met kanker én reuma melden dat ze veel minder last van hun reuma hebben.

Een andere toevalstreffer, de antimalariamiddelen, is het gevolg van de grotere welvaart waardoor meer mensen uit het Westen naar verre oorden met vakantie gaan. Dan pas wordt ontdekt dat deze middelen, al sinds eind jaren ’30 beschikbaar, ook bij reuma werken.

Eind jaren ’60 begint sulfasalazine door te dringen in de behandeling. Al bekend sinds 1944, wordt het pas in 1967 toegelaten als geneesmiddel tegen reuma.

Het blijft allemaal toeval. Gericht onderzoek naar medicijnen tegen reuma bestaat nog steeds niet. Overigens blijven patiënten ook met deze betere medicijnen nog steeds maandenlang opgenomen in het ziekenhuis.

En als je in deze jaren artrose hebt? Ach, leer er maar mee leven…

Eindelijk versnelling

Eindelijk, in de jaren ’90, komt er meer beweging. Ook in de patiënt trouwens. Maandenlang in het ziekenhuis op bed liggen wordt taboe, bewegen blijkt juist veel beter te zijn.

Onder andere dankzij de computer komt het onderzoek in een stroomversnelling. Voor het eerst wordt er gericht onderzoek gedaan naar wat reuma nou eigenlijk is, en dat levert aanknopingspunten op voor geneesmiddelen.

Eén van de aanknopingspunten is een eiwit met de naam TNFα. Het blijkt een belangrijke rol bij ontsteking te spelen en er wordt een antilichaam tegen gemaakt dat het eiwit kan wegvangen. De TNFα-remmer is geboren. Deze ontdekking is het begin van de ‘biologicals revolutie’.

Ook als je artrose hebt begint er licht te gloren: er wordt onderzocht of je een gewricht met artrose een beetje uit elkaar kunt trekken (distractie), en of dat de klachten kan verlichten. De resultaten zijn boven verwachting: niet alleen neemt deze behandeling de pijn weg, er lijkt ook herstel van kraakbeen op te treden. Sommige patiënten die in 1996 behandeld werden lopen nu, 20 jaar later, nog steeds klachtenvrij rond.

Als je in 2016 reuma hebt…

Dan is het nog steeds geen feestje, maar het is een stuk beter te behandelen dan 90 jaar geleden.

Het blijft gluren in de glazen bol, maar de toekomst lijkt er rooskleurig uit te zien. Er wordt veel onderzoek gedaan naar vroege diagnose, vroege behandeling en ook behandeling op maat. Niet iedereen reageert goed op ieder medicijn, en als je dat van te voren kunt bepalen is er veel winst. Ook voor de gezondheidszorg. Je kunt beter besparen op zorg die niet werkt, dan moeten schrappen in zorg die noodzakelijk is.

Ook wat artrose betreft kunnen we optimistisch zijn: de distractiebehandelingen geven aan dat kraakbeen zich wel degelijk kan herstellen, en er wordt nu veel onderzoek gedaan naar hoe je dat herstel zo veel mogelijk kunt stimuleren. Ook voor artrose is het van belang steeds vroeger de diagnose goed te stellen, zodat er nog veel kraakbeen aanwezig is, en de kans op herstel groot is.

We worden met z’n allen ook steeds ouder, dus is het des te belangrijker kunstgewrichten zo lang mogelijk uit te stellen. En misschien uiteindelijk wel af te stellen.

Auteur
Ik ben Ingrid Lether, Manager Research en Innovatie van het Reumafonds.

 

 

Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *